Pagina:HuygensCornelieDarwinMarx1901.djvu/152

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

141

sterkste. Darwin legt er nadruk op, hoe het moreel instinct of het zedelijk vermogen, in den meest primitieven vorm bij de lagere diersoorten voorkomend, een der elementen vormt van de natuurlijke teeltkeuze, de ontwikkeling der soort ten goede komend. Die aangegeven lijn naar hooger volgend, behooren alle groote wijsgeeren, humanisten, godsdienststichters, reageerend in schoonheid op de wreedheid der eeuwen, als geestelijk sterksten nieuwe gedachtenstroomingen ontwerpend, en de ethische ontwikkeling van de cultuurmenschheid leidend, tot die grootsche natuuropenbaringen, welke in het zoo ingewikkeld geestelijk proces even onmogelijk zijn weg te denken als de wetenschappelijke ontdekkers in de ontwikkeling van het productieproces. Al deze steeds op elkaar inwerkende geestelijke elementen, voedend en vormend het menschelijk willen en streven, vertegenwoordigen het sublieme wezen van de wereld-eenheid.

De eerste kiem van het zedelijkheidsinstinct openbaart zich reeds bij alle diersoorten, tot wier instandhouding en ontwikkeling het moet medewerken. Het verschil tusschen de moraal van hoogere sociaal levende dieren en de moraal van de cultuurmenschheid is een verschil van graad, niet van hoedanigheid. Daarvoor geldt dus hetzelfde wat Darwin van alle geestelijke vermogens zegt. Een bijenkoningin bijv., die zelve hare dochters doodt, wanneer dit voor het welzijn van de gemeenschap noodzakelijk is; een mier, die bij een dreigend gevaar met ware doodsverachting tot het laatst hare gemeenschapsplichten vervult, reddend wat