Pagina:HuygensCornelieDarwinMarx1901.djvu/17

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

6

van het op ervaringsgronden uitgewerkte eenheidsbegrip van Spinoza, staat de leer van Marx, betrekking hebbende op de menschelijke cultuur—die mede een natuuropenbaring is—nog geheel afgezonderd, enkele fragmentarische pogingen, die in deze studie werden opgenomen, daargelaten. Zij staat ook nog geheel afgezonderd van de analytische evolutie-theorie van Darwin, die zij niet alleen aanvult en voleindigt, doch welker synthese zij vormt.

Één der motieven van deze algeheele afzondering is te vinden in de beslist vijandige houding, die de groote epigonen van het Darwinisme uit den aard der zaak tegenover het Marxisme aannamen. Die vijandigheid was, bij sommigen, het gevolg van hun totale onwetendheid omtrent de grondbeginselen dier theorie, doch bij de meesten sproot zij voort uit het besef, dat zij een maatschappelijk-revolutionaire beteekenis heeft, terwijl hun eigen niet minder revolutionaire wetenschap slechts het zuivere natuurleven geldt, en de cultuurvormen als zoodanig ongerept laat.

Hoewel zelven heldhaftige pioniers van een nieuw denkleven op hun eigen terrein, trotseerend alleen, om der waarheid wille, een dreigende macht van tradities en mythen en overleveringen, toch bleven de maatschappij-vormen voor hen geheiligd en onaantastbaar, ook wijl zij niet met hun blik alle levensverschijnselen konden omvatten, evenmin als Marx en Engels de gansche omwenteling op natuurgebied konden verwerken, of op het einde van hun leven nog een afzonderlijke studie konden maken van het natuurwetenschappelijk