Pagina:HuygensCornelieDarwinMarx1901.djvu/24

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

13

uitgewerkt, maar—wijl het zwaartepunt van hun levenstaak elders lag—geenszins in die mate als noodig is, om geesten, die nog halverwege in de webben van oude metaphysische denkvormen verward bleven, een vasten bodem te bieden.

De bespiegelende wijsbegeerte, voorheen de eenige oase voor de intellektueelen, de verfijnden, die aan edeler zielevoedsel dan de grof naïeve kerkelijke dogma's behoefte hadden, behoudt voor velen nog haar vroegeren luister. En dat reuzengeesten als een Kant en een Hegel in het laatste groote tijdsverloop haar vertegenwoordigden, voorspelt met bijna wiskunstige zekerheid, dat zij nog voor langen tijd haar plaats in het ideeënleven zal innemen. De natuur heeft niet de gewoonte den gang harer verschijnselen, op welk gebied zij zich ook openbaren, met abruptheid af te breken. Slechts een zeer geleidelijk, nauw merkbaar ontaarden en verzwakken kan de speculatieve wijsbegeerte—indien zij bestemd is te verdwijnen—langzaam doen afsterven. Wel is waar, is na Hegel geen bespiegelend wijsgeer van ook maar de geringste beteekenis meer opgestaan, maar de duur van een driekwart eeuw geeft ons toch nog geen recht te meenen, dat na hem die tak van denken voorgoed zou verschrompelen.

Wat hiervan ook wezen moge, nog zijn het hare grootmeesters van voorheen, die op de minder sterk geëquilibreerde hoofden in de socialistische beweging een overwegenden invloed oefenen, in de eerste plaats op Bernstein zelf, die, evenals een aan Engelsche ziekte lijdend kind, dat ijzeren beugels behoeft om zich recht