Pagina:In Het Jaar 2000 (Bellamy1890).djvu/208

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

200

 

HOOFDSTUK XXV.

 

 

De persoonlijkheid van Edith Leete had mij op zulk een vreemde wijze overweldigd van het oogenblik af dat ik haar zag, en het was te verwachten dat zij mij nog meer zou bezighouden na wat er den vorigen avond gebeurd was. Reeds dadelijk was ik getroffen geworden door hare gelijkmoedige openhartigheid en eenvoudigen, rechten zin, meer van een nobelen, smetteloozen knaap, dan van een meisje. Ik was begeerig te weten in hoeverre deze verrukkelijke hoedanigheden haar eigen aard was, en in hoe ver mogelijk een gevolg van de sociale veranderingen in den toestand van de vrouwen, die sedert mijn tijd konden geschied zijn. Dien dag vond ik gelegenheid toen ik met Dr. Leete alleen was, om het gesprek te brengen in die richting.

—"Ik denk," zeide ik, "dat de vrouwen tegenwoordig, nu zij ontslagen zijn van de lasten van een huishouden, geen andere bezigheid hebben dan de verpleging van hunne bekoorlijkheden."

—"Wat ons mannen betreft", antwoordde Dr. Leete, "zouden wij meenen dat zij, om een van uwe uitdrukkingen te gebruiken, haar plaats ruimschoots betaalden als zij zich tot die bezigheid beperkten, maar gij kunt er zeker van zijn dat zij te veel geest hebben om op kosten van de maatschappij te leven, zelfs in ruil voor de versiering die zij zouden vertegenwoordigen. Inderdaad verheugden zij zich in het bevrijd worden van huiselijke lasten, omdat die niet alleen op zichzelf buitengewoon afmattend waren, maar ook een onnoodige verspilling van kracht, vergeleken bij het stelsel van samenwerking;