Pagina:In Het Jaar 2000 (Bellamy1890).djvu/215

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

207

lijk zijn zoowel als onverdedigbaar op maatschappelijke gronden. Wat zou er bij zulk een schikking van de persoonlijke vrijheid en waardigheid overblijven? Ik weet dat gij meendet vrij te zijn in de negentiende eeuw. De beteekenis van het woord moet toen anders zijn geweest dan nu, of gij zoudt het zeker niet hebben toegepast op een maatschappij, waarvan bijna elk lid in een toestand van pijnlijke persoonlijke afhankelijkheid verkeerde van anderen ten aanzien van zijn middelen van bestaan, de armen van de rijken, de werkman van den werkgever, vrouwen van mannen, kinderen van ouders. In plaats van de producten der natie onmiddellijk onder hare leden te verdeelen wat de natuurlijkste en eenvoudigste manier schijnt, lijkt het werkelijk alsof gij uitgedacht hadt een stelsel van verdeeling van de eene hand in de andere, waarvan het gevolg was een toppunt van persoonlijke vernedering in alle rangen van consumenten.

"Wat betreft de afhankelijkheid van vrouwen van hare mannen, die toen regel was, de natuurlijke aantrekkelijkheid in huwelijken uit liefde, zal haar die dikwijls draaglijk hebben gemaakt, ofschoon ik mij verbeeld dat zij voor vrouwen van veel geest, toch steeds vernederend moet geweest zijn. Wat moest het dan wezen in de ontelbare gevallen waarin vrouwen, met of zonder huwelijksvorm, zich verkoopen moesten aan de mannen om te kunnen leven? Zelfs uwe tijdgenooten, onverschillig als zij waren voor de meeste van de hinderlijke trekken uit uw beschaving, schijnen gevonden te hebben dat dit niet geheel was zooals het behoorde, maar toch beklaagden zij uit medelijden alleen het lot van de vrouwen. Het kwam niet bij hen op dat het wreedheid en diefstal was, als de mannen de geheele opbrengst van de wereld voor zich