Pagina:In Het Jaar 2000 (Bellamy1890).djvu/268

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

260

ik in het oog bleeke zuigelingen die hun leven uitsnakten te midden van rottende mesthoopen, van wanhopig uitziende vrouwen door ontbering misvormd, van de vrouwelijkheid alleen de zwakheid behoudende, terwijl uit de ramen meisjes blikten met de schaamteloosheid op het gelaat. Gelijk aan de hongerige troepen vunze zwijnen die de straten van Mohammedaansche steden verpesten, vulden zwermen van halfnaakte, verdierlijkte kinderen de lucht met hunne kreten en vloeken, al vechtende en rommelend in het vuil dat de steenen bedekte.

In dit alles was voor mij niets nieuws. Dikwijls was. ik door dit gedeelte van de stad gekomen en had deze tooneelen gadegeslagen met gevoelens van walging; vermengd met een zekere wijsgeerige verbazing over de uitersten die stervelingen kunnen verdragen en evenwel in het leven blijven. Maar nu waren mij de schellen van de oogen gevallen, en ik zag de maatschappelijke dwaasheid en het zedelijk verderf van deze eeuw. Niet langer zag ik neer op de rampzalige bewoners van dit Inferno met een koude nieuwsgierigheid, als op schepselen die nauwelijks menschen konden worden genoemd. Ik aanschouwde in hen mijne broeders en zusters, mijne ouders, mijn kinderen, vleesch van mijn vleesch, bloed van mijn bloed. De ontbindende massa van menschelijk jammer kwetste niet meer enkel mijne zinnen, maar stak mij in het hart als met een mes, zoodat ik zuchten en geklaag niet meer kon weerhouden. Ik zag niet slechts maar voelde in mijn lijf alles wat ik zag.

Weldra bespeurde ik toen ik de schepselen om mij heen nauwkeuriger bekeek, dat allen dood waren. Hunne lichamen waren zoovele levende graven. Op elk dierlijk