Pagina:In Het Jaar 2000 (Bellamy1890).djvu/273

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

265

De arbeid der menschen, verklaarde ik, was de vruchtbaarmakende stroom die alleen de aarde bewoonbaar maakte. Het was maar een schrale stroom, op zijn best, en het gebruik er van diende geregeld te worden door een stelsel dat elken druppel op het voordeeligst aanwendde wanneer men wilde dat de aarde overvloed zou hebben. Maar hoe ver verwijderd van eenig stelsel was de tegenwoordige exploitatie! Iedereen verspilde het kostbare vocht zooals hij wilde, gedreven door de eenige beweegredenen van zijn eigen oogst te doen gelukken en dien van zijn buurman te bederven, opdat de zijne duurder verkocht zou kunnen worden, zoodat hebzucht, en nijd sommige velden besproeiden, terwijl andere versmachtten en de helft van het water verloren ging. In zulk een land, al mochten eenigen door geweld en list rijkdommen vergaren, moest het lot van de groote menigte wel armoede zijn, en, van de zwakken en onkundigen, bitter gebrek en onafgebroken hongersnood.

Laat slechts de lijdende natie de regeling van den arbeid op zich nemen die verwaarloosd is, en ten algemeene nutte den loop afbakenen van den levenwekkenden stroom, en de aarde zal bedekt worden met bloemen als een tuin en geen van hare kinderen éen goed ding moeten missen. Ik beschreef de lichamelijke beterschap, de geestelijke verlichting en de zedelijke verheffing die dan bij de menschen zouden plaats hebben. Met geestdrift sprak ik over die nieuwe wereld, gezegend door overvloed, gezuiverd door rechtvaardigheid, verzoet door broederlijke liefde, de wereld waarvan ik inderdaad slechts gedroomd had, maar die zoo gemakkelijk te verwezenlijken was. Maar terwijl ik verwacht had dat ditmaal de gezichten om mij heen zekerlijk zouden verhelderd worden door aandoeningen