Pagina:In Het Jaar 2000 (Bellamy1890).djvu/30

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

22

ik had een goede gelegenheid om hem te bestudeeren en over mijn zonderlingen toestand te denken voor hij merkte dat ik wakker was. Mijn duizeligheid was geheel voorbij en mijn geest volkomen helder. Het verhaal dat ik 113 jaar geslapen had en dat ik bij mijn zwak en verwilderd ontwaken aangenomen had, zonder vragen, kwam mij nu enkel voor als een brutale poging om den draak met mij te steken, al wist ik in de verste verte niet met welk doel.

Iets buitengewoons had natuurlijk moeten gebeuren om mij wakker te laten worden in dit vreemde huis met den geheel onbekenden bewoner, maar mijn verbeelding was geheel onmachtig om meer dan de wildste gissing op te vatten van hetgeen dat had kunnen zijn. Zou ik het slachtoffer van een soort van samenzwering kunnen zijn? Het zag er wel zoo uit, maar toch, indien menschelijke gelaatstrekken ooit ware getuigenis gaven, dan was het zeker dat deze man hier naast mij, met een zoo edel en scherpzinnig gezicht, geen deelgenoot kon zijn bij eenig plan van misdaad of geweld. Toen kwam het bij mij op of ik niet mogelijk het voorwerp van een goed uitgevoerde aardigheid van eenige vrienden kon zijn, die op eenige wijze het geheim van mijn onderaardsch vertrek hadden ontdekt, en dit middel hadden gebruikt om mij te overtuigen van het gevaar van hypnotische proefnemingen. Toch waren er wel bezwaren tegen dit denkbeeld; Sawyer zou mij nooit verraden hebben, en ik had ook geen vrienden die zoo iets zouden doen; evenwel scheen mij de onderstelling, dat men mij voor den mal hield, de eenige houdbare. Half in de verwachting hier of daar achter een gordijn of een stoel een bekend gezicht te zien grijnzen, keek ik de kamer