Pagina:In Het Jaar 2000 (Bellamy1890).djvu/33

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

25

van een oud huis geweest was. Een laag asch en kool op het bovenste gedeelte van het gewelf, bewees dat het huis-zelf door brand was vergaan. Het gewelf was geheel onaangetast, de cement was nog even goed als in het begin. Er was een deur in, maar wij konden haar niet openbreken, en wij kregen toegang door een van de platen weg te nemen, die het dak uitmaakten. De lucht die ons tegemoet kwam was duf maar zuiver, droog en niet koud. Toen ik met een lantaarn er in afdaalde, bevond ik mij in een vertrek, ingericht als een slaapkamer in den stijl van de negentiende eeuw. Op het bed lag een jonge man. Dat hij dood was en een eeuw geleden gestorven was, moest men natuurlijk als bewezen aannemen; maar de buitengewoon versche staat van het lichaam sloeg mij en de medische collega's, die ik had ontboden, met verbazing. Dat de kunst om zoo te balsemen ooit bekend geweest was, zouden wij niet geloofd hebben; toch scheen hier afdoend bewijs te zijn, dat onze onmiddellijke voorouders haar bezeten hadden. Mijne ambtgenooten, wier weetgierigheid ten zeerste geprikkeld werd, wilden dadelijk proeven nemen om den aard van de behandeling te leeren kennen, maar ik hield hen terug. Mijn beweegreden om dit te doen, tenminste de eenige beweegreden die ik nu moet noemen, was de herinnering van iets wat ik eens gelezen had over de hoogte waarop uwe tijdgenooten de beoefening van het dierlijk magnetisme hadden gebracht. Het had mij getroffen dat gij mogelijk verdoofd kondt zijn, en dat het geheim van uwe lichamelijke ongereptheid na zulk een langen tijd, niet de kunst van den balsemer, maar het leven-zelf was. Zoo uiterst fantastisch scheen dit denkbeeld mij zelfs, dat ik den lachlust van mijn collega's niet durfde te trotseeren,