Pagina:In de sneeuw.djvu/149

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

147

kleinen landweg, die naar de pastorie voerde, toen Johannes het als zijn plicht beschouwde, haar te zeggen, wat hij zich had voorgenomen, aangaande het gisteravond gehouden gesprek; — anders zou het alweêr moeten worden uitgesteld.

„Uw, — ja, hoe zal ik me uitdrukken? — uw onjuiste beoordeeling van vader maakt, dat je als 't ware je zelve voorbijpraat in een gesprek met hem, — zooals gisteravond."

„Hoe is 't mogelijk, Johannes! ik was juist zóo lief en meegaande."

„Dan ben je zeker vergeten, hoe je gezegd hebt, dat vader kinderachtige praatjes hield?"

„Miserecordia!" riep Gabriëlle lachend; „heb ik dàt werkelijk gezegd? — maar ik was zoo moe, en — hij prikkelde me een weinig."

„Je gevoeldet zijne meerderheid, niet waar?" — vroeg Johannes lachend.

„Volstrekt niet," — , antwoordde Gabriëlle strijdlustig; „hij herinnerde me sterk aan de priesters, die neef Jürgen, „kerkblazen" noemt."

„Foei, Gabriëlle! hoe kan je zoo'n neef Jürgen citeeren! — maar je moet werkelijk je best doen, in vader je meerdere te zien: reeds zijne