Pagina:In de sneeuw.djvu/161

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

159

bitter leed, in uwe woorden en in uwen toon eene zekere ontevredenheid op te merken met háar, in wie gij, naar ik zoo innig gehoopt had, eene lieve dochter zoudt vinden."

„Dat zal ze, met Gods hulp, ook worden," antwoordde de predikant, opstaande om zijne pijp te stoppen. Hij ging de tafel rond naar Johannes, bij wien de tabakspot stond, en sprak ernstig en zacht: „Hier zijn we nu samen, mijn beste Johannes! — niet alleen als vader en zoon, maar ook als twee medearbeiders in den wijngaard des Heeren; laat ons toch, in ootmoed en onder gebed, bedenken, hoe het werk, dat wij nu zullen verrichten, goed kan worden uitgevoerd, — ons allen ten zegen, Gode ter eere."

„Amen!" — sprak Johannes, en bleef zwijgend in gedachten verloren zitten, terwijl zijn vader eene pijp stopte.

Buiten woedde de storm, en donkerblauwe grijze wolken pakten zich in het Oosten en Zuiden samen. Alles duidde nog op onstuimig weder. Maar in de studeerkamer heerschte kalmte. Onder het toenemen der schemering werd de roode gloed, die uit den haard over het vloerkleed speelde, helderder.