Pagina:In de sneeuw.djvu/94

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
92

een flauwen glimlach heeft kunnen onderdrukken over de ernstige wijs, waarop gij alles behandelt. Het is wel niet veel, wat ge mij over Gabriëlle verteld hebt, maar, — niet ieder behoeft evenveel te worden gezegd om een zaak te begrijpen. En ik, ziet ge, begrijp spoedig. Ik geloof nu reeds, uw meisje vrij goed te kennen, — op sommige punten ken ik haar misschien zelfs beter dan gij. Zij is vrijzinnig en vrij van vooroordeelen, — inzonderheid ten opzichte van den godsdienst; zij waant, dat de predikanten de duisternis en de slavernij beminnen; zij gevoelt diep medelijden met de armen en onderdrukten, en kan geen onrecht of zwakheid verdragen. Zij heeft veel gereisd en veel gelezen, en zij is altijd rijk genoeg geweest om nooit op onoverwinnelijken tegenstand te stuiten. Nu bemint zij een jongen man, en deze wil predikant worden? — onmogelijk! — totaal ondenkbaar !

Wat zullen wij nu doen — gij en ik — Johannes? Wij zullen deze beminnelijke jonge dame leeren, niet alleen, het wèl als mogelijk te beschouwen, maar wij zullen haar zoo ver brengen, dat zij God en haar predikant zal danken,