Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/103

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

95

zich van de Zilvermeeuw (Larus argentatus Brunn.) door het glimmend zwart van mantel- en vleugelvederen. Doch er komt nog een tweede Mantelmeeuw aan onze stranden voor, hoewel in klein aantal, die minder groot is, en dan ook Kleine Mantelmeeuw (Larus fuscus L.) genoemd wordt. De groote soort heeft bleek vleeschkleurige, de kleine geelachtige pooten. Beide soorten komen hoofdzakelijk des winters bij ons voor, de Larus marinus in groot aantal, doch ook elken zomer kan men wel exemplaren, vooral jongere bij ons aantreffen. Broeden doen de Mantelmeeuwen in Nederland niet. De Zilvermeeuw doet dit wel, vooral op de eilanden, maar ook op enkele plaatsen in de duinen van Noord- en Zuid-Holland. De drie groote eieren zijn groenachtig met grijze en bruine vlekken. De oude Zilvermeeuwen zijn fraai blauwachtig grijs op rug en vleugels en ze hebben, evenals de Mantelmeeuwen, een helder rood veldje aan den overigens gelen snavel.

De jongen van de drie genoemde meeuwen behouden tot aan het derde levensjaar een bruingevlekt vederkleed en een zwartgrijzen snavel, waardoor ze moeilijk uit elkander te kennen zijn.

Deze meeuwen zijn een sieraad onzer kusten, en uit een oogpunt van verheffing vragen ze aller bescherming, die haar ook bij de wet verleend wordt.