Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/156

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

148

kant. Want deze wilde gans is lang niet de eenige, die zich hier in het najaar ophoudt. Ook de Kolgans of Anser albifrons albifrons (Scop.) mag genoemd worden. Deze soort komt wat later, doch blijft een weinig langer, daar ze alleen bij strenge koude naar het Zuiden gaat. Kolgans heet ze naar een witten vederband, die om den wortel van den bovensnavel loopt. Hieraan en aan den vleeschkleurigen bek is zij goed te kennen.

En dan noemen we nog de Rietgans of Anser fabalis fabalis (Lath.), die zich ook elk winterhalfjaar bij ons vertoont, zij het dan ook veel minder menigvuldig dan de beide andere soorten. Zoo'n Rietgans is weer te kennen aan den zwarten snavel, die in het midden roodachtig is. Verder zijn er voor de drie genoemde soorten nog wel verschillen in het vederkleed op te noemen, maar deze zijn niet opvallend. De snavelkenmerken zijn in deze de beste.

Een ganzenbout is niet te versmaden, vooral niet wanneer het er een is van een niet al te oud voorwerp. De oude dieren kent men nogal aan de zwarte vlekken, waarmede de onderdeelen versierd zijn.

Dat de ganzen door d'eeuwen heen een gezocht wildbraad geweest zijn, leest men maar al te vaak. In bijna alle geschiedkundige romans wordt men onthaald op ganzenlever en ganzenpasteitjes. En niet alleen in den Elzas doet men zich te goed aan „pâte de foie gras”.

Misschien zijn de ganzen, die eenmaal het Kapitool redden, nog wel de nuttigste geweest.