Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/27

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

19

ze zich er dikwijls tusschen neer. Dat weet de vogelvanger opperbest, en de kieviten-poppen zijn voor hem nog beter lokmiddelen, dan die van plevieren. Af en toe vliegen enkele kieviten tusschen de troepjes wilsters, zooals de goudplevieren gewoonlijk door de vangers genoemd worden, en zoo komen dan soms verboden vogels onder het net. Hoor, de vogelaar laat zijn lokgefluit hooren, en ook uit de lucht hooren we nu gelijkluidende toonen, die door de vogels als antwoord op het geroep van vermeende soortgenooten worden gegeven.

Het speurend oog van den vanger had de vogels reeds op grooten afstand waargenomen, en zijn gefluit brengt ze in de verlangde richting. Zie, hij trekt aan een dun koordje, en een levende plevier, die bij het net op den „wupper" is vastgebonden, spreidt de vleugels herhaaldelijk uit. De vogels, daar omhoog, kunnen nu niet anders meenen, dan veilig plaats te kunnen nemen tusschen de voorwerpen, daar beneden. En na eenige zwenkingen vliegen ze reeds met omlaag gestrekte pooten tegen den wind in naar den grond. Doch plotseling worden ze in hun voornemen gestuit. Bliksemsnel slaat een net de laagstvliegende dieren tegen den grond, terwijl de andere in wilde vlucht een goed heenkomen zoeken. In draf komt de vogelaar nader, om de gevangen vogels te dooden. Hij doet dit, met ze den schedel in te bijten, om maar snel weder het net in nieuwe vanggelegenheid te kunnen stellen. Slechts één wilster wordt levend gehouden, daar die op den „wupper" dienst zal kunnen doen, wanneer de tegenwoordige lokvogel van lamheid de vleugels niet meer kan uitslaan. Snel, als de kokerspin, die haar buit in veiligheid gebracht heeft, kruipt de vogelaar weer in