Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/60

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

52

hebben op paal of hek. In vele streken noemt men den Tureluur ook Tjerk of Tjirk, maar ook wel Tureluut, Tuut, Daak en Witstaart.

Pas op, daar is een nest van een kievit met vier eieren. En op geen meter afstand daarvan vliegt de tureluur uit het langere gras. Jawel, daarin liggen in een dieper nest, waarboven de grashalmen kegelvormig samenbuigen, ook vier eieren, maar die zijn lichter van grond en bruiner gevlekt dan kievitseieren.

Dat doet de Tureluur nu dikwijls: zijn nest maken bij dat van den kievit. En stellig doet hij het om zijne eieren mede onder bescherming van den kievit te stellen, die zoo goed door toeschieten kraaien en ander gespuis van nest of jongen weet weg te houden.

Een turelurenpaar leeft edeler dan zoo'n stelletje kemphanen, daar het trouw te zamen voor nest en jongen zorg draagt.

De meeste kemphanen en tureluren verlaten ons land tegen den winter, doch aan de kust kan men er toch altijd exemplaren van vinden. In Maart en April keeren ze naar de broedplaatsen terug.

In het wintergetijde kan men bij ons ook vinden een donkerder gekleurde Ruitersoort, die Zwarte Ruiter of Totanus fusca L. heet. 't Is niet uitgemaakt of deze soort soms een enkele maal bij ons broedt. Onmogelijk is zulks niet, daar mr. R. baron Snouckaert mededeelt, dat in de collectie Wolley-Newton te Cambridge een ei is, 't welk genomen werd uit de oviduct van een in Nederland gevangen wijfje der soort.

Weldra hopen we nog een drietal Ruitersoorten te bezien.