Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/72

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

64

legd zijn. Zoo is de sterke voorttelling van de Boschduiven dan ook gemakkelijk te verklaren. Toch gebeurt het wel, dat een nest verloren gaat, daar dit heel losjes gemaakt wordt op een horizontalen tak, waar het bij sterken wind wel afwaait. Slechts bij uitzondering wordt een nest op den grond gemaakt. In de duinen gebeurt dit meermalen, maar dan steeds op een duintop.

Hebben we dus de Woudduif (Columba palumbus L.) als stand- en trekvogel te beschouwen, niet is dit het geval met de veel kleinere Tortelduif (Turtur turtur L.), die alleen van April tot October bij ons woont, maar dan ook in de meeste boschjes en tuinen broedt.

Lieve vogeltjes zijn het, die zachter kirren dan de Woudduif, en mooie kleurtjes hebben ze aan den hals. Aan beide zijden er van heeft de Tortel vier rijen zwarte met blauwwit gezoomde vederen, wat gemakkelijk te herkennen onderscheidingsteekens zijn. De overige vederen komen eenigszins overeen met die van de Woudduif, doch de bruine rug- en vleugeldekvederen hebben rose zoomen.

En nu leeft er in ons land, hoewel in klein aantal, nog een derde Boschduif, de Columba oenas L. of Kleine Boschduif, die ook wel Holenduif genoemd wordt, omdat zij niet alleen haar nest maakt in boomholten, maar ook in verlaten konijnenholen. Ze gelijkt zeer op de Woudduif, doch is te herkennen aan het gemis van de witte halsringvederen. Heeft de groote soort nog eenig wit op de vleugels, ook dit ontbreekt bij Columba oenas, doch wel vindt men er eenige groote zwarte vlekken, terwijl de onderzijde aanmerkelijk donkerder is. Ook zij is standvogel voor ons land. Ze broedt evenwel lang niet overal.