Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/85

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

77

schen, de Whatear der Engelschen wordt dan ook hier plaatselijk wel Witstaart en Wijntapper genoemd, terwijl ook nog tal van andere namen voorkomen, waaronder die van Walduiker en Heidehupper wel de aardigste zijn.

Mooi steekt het lichtgrijze manteltje van den Tapuit af bij het zwart van wangen en vleugels, en bij het rozekleurig geelwit der onderdeelen. Daar komt ook het wijfje schuchter aanhippen, zeker om te laten zien, dat zij minder glanzende kleuren heeft, en dat ze het zwart aan de wangen mist.

Het najaarspakje dezer Tapuiten kenmerkt zich door eene zachte roestkleur over alle tinten, behalve over het wit.

Maar nu zouden we ook nog gaarne even het nestje willen zien, doch dan moeten we onmiddellijk onze bedekking verlaten, anders brengen we weer stoornis, als het vrouwtje zich op de eieren bevindt. O wee! wat schrikken de arme diertjes, nu we te voorschijn komen; ze hadden het niet verwacht, dat die booze menschen nog zoo nabij waren. Luider dan straks nog laat het mannetje zijn loktonen hooren om ons toch maar in die richting te roepen. We geven er geen gehoor aan en spoedig bevinden we ons bij het holletje, waarvan de onderkant platgetreden is door de vogelpootjes, zoodat geen voetindrukken meer zichtbaar zijn. We kunnen zoo het nestje niet zien, daar het hol ombuigt, maar wanneer we voorzichtig deze zode wegnemen, zal het wel gaan. Juist, daar is het, eenvoudig gemaakt van wat ruwe halmen en vezels, maar geheel belegd met zachte veertjes en wolpluisjes.

We moeten dit wat terzijde schuiven, willen we de