Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/88

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

80

het af bij de licht rosékleurige onderdeelen, bij het zwart van slag- en staartpennen en bij de mooie aschkleur van bovenkop, nek en stuit. De wijfjes zijn van boven roestkleurig en op de onderdeelen witachtig, doch op vele vederen zijn halvemaantjes van zwart.

Als we nu ook nog even dit nestje, gemaakt van mos, worteltjes en bladstelen, en bekleed met haar en wol, hebben bekeken, dan kennen we de geheele huishouding van dezen Wurger, die met zijne familiegenooten tot de roofvogels onder de zangvogels behoort, wat ook de krachtige, haakvormige bek wel laat zien. Stout zijn ze en roofzuchtig, de Klauwieren, en gewoonlijk vangen ze veel meer voedsel, dan ze voor hun onderhoud noodig hebben. Om deze eigenschap werd eene Afrikaansche soort door zeevaarders, die aan de Kaap de Goede Hoop verblijf hielden, „fiskaal" geheeten.

Het nest bevat pasgeboren jongen, zoodat we de mooie glanzige eieren, licht geelgroen met bruine vlekken, die om het dikste gedeelte soms een mooi kransje vormen, hier niet kunnen zien.

Mocht ge eens een Klauwier ontmoeten met witte spiegels op de groote slagpennen, met bruinrood op kruin en achterhals, met wit op stuit en schouders en met zwart op mantel en vleugels, dan hebt ge kennis gemaakt met een Roodkopklauwier (Lanius senator L.), die lang zoo veelvuldig niet bij ons voorkomt als Lanius collurio. Beide soorten zijn evenwel voor ons land zomervogels, die in onze streken wonen van April tot September.

Maar wie nog een mooien Klauwier wil leeren kennen, moet in den herfst eens met een lijsterstrikker door de kreupelboschjes trekken. Dan toch komt veelvuldig op