Pagina:Keulemans - Vogels van de Kaap-Verdische Eilanden (1866).pdf/16

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 378 —

zijn op de bovendeelen een weinig flauwer van kleur, de bek is aanmerkelijk korter en bruinzwart in plaats van rood. Men vindt echter ook ouden met een zwartachtigen bek. Bij de ouden zijn de bek en pooten scharlakenrood, de iris, even als bij de jongen, donkerbruin.

Deze vogel is niet zoo mak als de voorgaande soort (Halc. dryas); ook wordt hij niet door andere vogels vervolgd, aangezien hij geene jonge vogels uit de nesten steelt.

Men kan hem tot op tien schreden naderen. Hij heeft de gewoonte om, wanneer hij eenig gevaar meent te ontwaren, den nek afwisselend in en uit te rekken, waarbij hij den staart een weinig omhoog brengt.

Tegen den broeitijd ziet men de mannetjes de wijfjes vervolgen, waarbij eerstgenoemden een zacht, niet onaangenaam gefluit doen hooren.

Deze vogels broeien in holen, onder de wortels van boomen, van Augustus tot Januari. Het wijfje legt tot vijf witte eieren en wordt, daar het zeer ijverig broedt, gedurende dit bedrijf, door het mannetje gevoed.

De inwoners geven aan deze soort den naam van Pica-peix, hetgeen vischvanger beteekent.


DICRURUS MODESTUS.

Deze vogel is vrij algemeen en wordt op alle gedeelten des eilands gevonden. Beide seksen hebben dezelfde gitzwarte kleur met groenachtigen glans op de vleugels, den staart en bovenkop. Gewoonlijk zijn de onderdekveeren van den staart wit gerand. De bek en de pooten zijn zwart, de iris is ponceau-rood. De jongen zijn niet zoo donker van kleur als de ouden, zij hebben een bruine iris en de vederen hunner onderdeelen zijn wit gerand.

De inboorlingen gelooven dat genoemde vogel de macht heeft van te voorspellen. Ik laat hier eenige voorbeelden van dit bijgeloof volgen. Wanneer hij op een der huizen komt zingen, hetgeen dikwijls gebeurt, zou, volgens hunne meening, een der huisgenooten spoedig sterven. Wanneer hij eenige dagen achtereen, in de nabijheid der stad, met den kop naar de baai gericht, zingende gevonden wordt, zegt men dat er schepen zullen binnenkomen, en wanneer hij met den kop van de baai afgekeerd zit, zullen er schepen of ingezetenen vertrekken. De inwoner vreest of eerbiedigt dezen vogel in hooge mate en gelooft, dat men tegenspoed of eenig ongeluk zal krijgen, wanneer men hem vangt of zijn nest verstoort. Zoo men hem met geweer of pistoolschot doodt of wondt, zal men zijne wapenen breken of beschadigen, enz.