Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/235

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


De zoo eigenaardige gewoonte van het wijfje van den Leeuwerik, om, wanneer zij verstoord wordt, op een ander nest te gaan zitten, is door velen waargenomen, en een gevolg van die gewoonte is, dat de eijeren van den Gelen en den Gewonen Kwikstaart, van de verschillende Piepers en van andere vogels wel eens voor die van den Leeuwerik worden aangezien. Eene andere van hare eigenschappen is, dat zij de verlaten jongen van andere vogels ook voert, hetgeen zij zelfs in de gevangenschap doet. Het is zeer merkwaardig te zien, hoe zij hierin te werk gaat: zij voert die vreemde jongen zoo druk, dat ze bijna zich zelve vergeet. Maar ook in den vrijen staat, en terwijl zij hare eigen jongen heeft groot te brengen, strekt zij in sommige gevallen hare goede zorgen ook over de verlaten nakomelingen van andere vogelsoorten uit.

Onze Leeuwerik is een zeer liefelijke vogel, die niet zeer schuw is en in de kooi zeer mak wordt. Hij wordt minder om zijne kleuren gewaardeerd, dan wel om zijn fraaijen, krachtigen zang, te meer daar hij, van al onze zangvogels, zich het vroegst laat hooren; reeds in Februarij begint hij te zingen; de in den winter gevangen mannetjes doen dit gewoonlijk eerst in Mei, doch sommigen het geheele jaar door, en 's winters ook bij avondlicht. De jonge mannetjes van het eerste broeisel zingen, of liever kweelen, reeds op een leeftijd van twee à drie maanden.

Men vangt de Leeuwerikken meestal jong of in het vroege voorjaar, met daartoe vervaardigde netten. 's Winters, als zij meer nabij de woningen komen en zich gewoonlijk langs de slootkanten ophouden, kan men ze ook met lijmstokjes vangen; na vooraf eenig voedsel op het ijs of langs den kant gestrooid te hebben, legt men de stokjes met het eene einde op het ijs, en het andere einde tegen den kant, zoodat de vogel er bijna onder door zou kunnen. De stokjes moeten ongeveer een half el lang zijn en het lokaas onder de stokjes liggen. Als de velden met sneeuw zijn bedekt en de Leeuwerikken veel op moesgrond vertoeven, kan men ze insgelijks met lijmstokjes vangen; ook zoogenaamde slag- of nachtegaal-netjes kunnen, op besneeuwde gronden geplaatst, eene goede vangst opleveren.

In de kooi kan de Leeuwerik, bij goede behandeling, dikwijls wel twintig jaar oud worden. De kooijen moeten ruim, op den bodem vooral van zand en in het midden van een zoogenaamd gras-, of nog liever van een klaverzoodje, voorzien zijn. Gedurende het koude saizoen houdt men de Leeuwerikken binnenshuis, in een niet te warm vertrek.

Gelijk ik hiervoren reeds aanstipte, is de soort van voedsel niet zonder invloed