Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/30

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


De jongen hebben de kleur der ouden, behalve dat bij hen het geel aan den kop nog fletser is. Ook tusschen de seksen is geenerlei onderscheid van geluid of kleur op te merken.

De inboorlingen van de streken, waar deze vogel gevonden wordt, verhalen, dat er bij elken troep Kakatoes steeds een mannetje gevonden wordt, dat nooit paart, maar, tot beveiliging zijner broeijende soortgenooten, als voorpost fungeert, en dat deze nimmer het gezelschap verlaten mag, daar hij, bij ontvlugting, door iederen anderen troep als deserteur zou aangemerkt en vermoord worden. Ook verhalen zij dat, wanneer er strikken of vallen gelegd zijn (waarmeê men deze vogels gewoonlijk vangt), bedoeld mannetje 't eerst op den uitkijk gaat, ten einde den troep te verwittigen, dat hij in de omstreken iets nieuws gezien heeft; dan komen de anderen met hem mede, en bezien de strikken, doch worden dan meestal door het lokaas verleid en gevangen. Geraakt echter de voorpost of wachter zelf in de strikken verward, dan verlaat de geheele bende de streek en sluit zich, bij gemis van een eigen wachter, bij een anderen troep aan.

Dergelijke legenden, die trouwens ook van andere vogelsoorten verhaald worden, zijn, hoe zonderling 't bij de eerste gedachte ook schijne, toch volstrekt niet zoo geheel ongegrond. Bij verschillende vogelsoorten, die in troepen leven, bevinden zich namelijk dikwijls meer mannetjes dan wijfjes; het zwakste mannetje heeft daar de minste kans, om een wijfje meester te worden, en zal zich dus, meer tijd hebbende, ook alligt met allerlei beuzelingen ophouden, 'tgeen dikwijls ten gevolge kan hebben, dat hij, iets ontmoetende, wat hem wonderbaar toeschijnt, dit door veel beweging en luid geschreeuw te kennen geeft. In dien zin opgevat, behoort dan ook het bestaan van een voorpost bij de Kakatoes volstrekt niet tot de onmogelijkheden.

Dat voor 't overige de verhalen van onbeschaafde inboorlingen meestal tot het fabelachtige overhellen, is zeer natuurlijk; zij kennen alleen het verschijnsel, niet de oorzaak, en waar zij tot eene verklaring van het verschijnsel trachten te komen, daar worden zij alleen door hun praktischen zin geleid, die zich meer met het uitwerksel dan met de oorzaak bezig houdt, of liever, het uitwerksel zelf als oorzaak beschouwt; dit is den natuurmensch eigen, en niets is dan ook eenvoudiger, dan dat zij het alleen blijvende zwakkere mannetje als een noodigen voorpost beschouwen, daar zij zich anders geene reden kunnen geven, waarom het juist alleen moet blijven. Overigens zijn hunne waarnemingen, ofschoon verkeerdelijk toegepast, dik-