Pagina:Keulemans Onze vogels 1 (1869).djvu/31

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


wijls zeer gegrond. Hij, die zelf waarneemt, weet in den regel meer, dan velen die uit het eene boek in het andere naschrijven.

In den natuurstaat voedt zich de Kleine Kakatoe met zachte, sappige vruchten, jong groen, zaden enz., waarmede ook de jongen uit den krop worden grootgebragt.

In den tammen staat is zij een aardige vogel, die vele woorden leert klappen, bijzonder mak wordt en zeer veel aanleg tot verstandsontwikkeling heeft. Zij kent dan ook spoedig de huisgenooten en weet haar meester zeer goed te onderscheiden. Als men haar in de kooi houdt, is geweekte maïs, brood, rozijnen, noten en sappige vruchten voor haar eene lekkernij; op gekookte rijst is zij eveneens te houden, maar bij afwisseling moet men er eenige versnapering bijvoegen. Ofschoon kooijen met koper traliewerk een fraaijer voorkomen hebben, zijn de ijzeren veel verkieslijker, omdat de droppelen water, die zij onder het baden en duiken doet opspatten, het koper doen oxyderen en dit koperoxyde voor den vogel een zwaar vergif is. Indien zij de gewoonte heeft, de ruststokken stuk te bijten, dan hange men telkens in de kooi eenige versch gesneden wilgentakjes, welke zij dan gewoonlijk afpluist. Plukt zij zich de borstveêren uit, men brenge dan een blikken kraag, ter breedte van 4 Ned. duimen, aan den hals, in dier voege, dat de scherpe kant naar den buik, niet naar den kop gekeerd is; van achteren kan men den kraag door middel van twee of meer gaatjes, met een koordje sluiten; ook kan men zich tot dit einde van een blikken ring bedienen, die juist over den kop heèn kan.

Als men haar vrij door de kamer laat loopen, zal zij, louter uit gewoonte, alles stukbijten, wat zij in den bek kan krijgen. Gaarne trekt en bijt zij de knoopen van een of ander kleedingstuk af, of vernielt zij de ornementen van spiegellijsten en dergelijken. Men kan haar dit echter zeer wel afleeren; want zij begrijpt gemakkelijk, vooral indien zij na de eene of andere les met eenige versnapering wordt beloond.

De gewoonte, om haar voedsel in den poot te houden en het tusschen de vingers uit te pluizen, zet haar iets eigenaardigs bij. Is haar geleerd, wanneer men haar iets toedient, den naam van het toegediende te klappen, dan zal zij na eenigen tijd vragenderwijs dien naam herhalen, wanneer zij dergelijk voorwerp ziet of hoort. Leert men haar b.v. het woord „klok" uitspreken, even vóór- of nadat deze slaat, dan roept zij weldra „klok", zoodra zij een of ander daarnaar gelijkend geluid verneemt; evenzoo is 't met de lekkernijen, die men haar geeft, gelegen.