Pagina:Keulemans Onze vogels 3 (1876).djvu/134

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


door zijne meerdere grootte. In vorm en bewegingen nadert hij zoowel de Vliegenvangers (Muscicasia) als de Rietzangers (Calamodyta), en ook zijn zonderlinge, kakelende en scherpluidende zang herinnert aan het geluid der Karekieten en is, wel beschouwd, slechts eene perfectie daarvan. Wel is waar zingt de Kersendief een meer harmonisch lied en bootst hij ook de geluiden van andere vogels na, doch de maat en ook de toonaard van beide vogelsoorten is toch duidelijk aan elkaêr gelijk of minstens verwant. De loktoon van den Kersendief luidt als: „tèk, tèktèk, tèkteroe-iet" (de oe zeer verlengd). Angst en woede geeft hij te kennen door een scherp „chèt-tèu" (de laatste syllabe eenigzins luider en meer gerekt). Wat zijn zang betreft, deze, ofschoon zeer gevarieerd en afwisselend, is niettemin gemakkelijk te beschrijven, daar het slechts variatiën op een en hetzelfde thema zijn. Wie het eens hoorde, herkent het onmiddellijk, en wij durven zeggen, dat iedereen, die zich in het bezit van een tuin verheugt of gelegenheid heeft om wandelingen naar buiten te maken, den zang van onzen Kersendief uit het hoofd kent. Alleen voor de weinigen, die dezen vrolijken zanger nooit mogten gehoord hebben, willen we zijn liedje zoo duidelijk mogelijk in syllaben uitdrukken: „tèk tèdik te gu ie, te gu, te gu, te gu, te gu ie, kiedekiet, te kuie sekie sekie, se, kwiet-kwiettriek-te chrikchrik chrik se-gu-ie se-gu-ie-tettet, te dàk-tedàk tedèk". De hoofdtoon, welke het duidelijkst hoorbaar is en dezen zanger te midden van het geheele vogelenkoor doet onderscheiden, is het scherp slijpende en gerekte „segu-ie, se-gu-ie". Daarbij komen dan nog de menigte geluiden, die op onregelmatige wijze onder den zang worden gemengd, b.v., nabootsingen van het gedruis, dat de Eenden met de vleugels maken (het zoogenaamde „wiek slaan"), van het gekraak van molenwieken, en andere meer, afwisselende naar gelang van de localiteit, die de zanger bewoont. Ook het lokgeluid van Marel (Limosa) en Meezen neemt hij in zijn zang op; soms ook bootst hij het gewoon geroep van den Wielewaal en het gekras van den Gaai zeer duidelijk na; doch al deze verschillende geluiden worden steeds met den zang zelf aaneengeschakeld en niet afzonderlijk voortgebragt, zoo als dit van de Amerikaansche Spotlijster (Mirinus) is opgemerkt.

Jonge mannetjes zingen reeds eenige weken nadat zij vliegen kunnen en lang vóórdat zij van hier wegtrekken. Ik heb dikwijls met welbehagen naar zulk een jeugdig koor geluisterd. Als het warm weder is en de kleine muziekanten onder het loof verscholen zitten, kan men ze voorzigtig naderen; doch de ouden waar-