Pagina:Keulemans Onze vogels 3 (1876).djvu/60

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


kon gerigt worden, zou men hem, volgens wetenschappelijke zienswijze, onder de Koekoeken hebben gerangschikt. In beide gevallen zou dus de Scharrelaar tot eene geheel andere familie, ja zelfs tot eene geheel verschillende orde, moeten behoord hebben.

Men vindt dezen fraaijen vogel in het geheele gematigde en zuidelijke gedeelte van ons werelddeel, behalve in Engeland; voorts in het Zuiden van Siberië en in een groot gedeelte van Azië. Gedurende den trektijd bezoekt hij Afrika tot aan de evennachtslijn. Misschien trekt hij nog zelfs meer zuidwaarts; althans dit werd mij, toen ik eens op Prinseneiland een mannelijk voorwerp geschoten had, door een inwoner van Benguela verzekerd. Hij wordt echter in West-Afrika door eene andere, even fraaije en zeer verwante soort vervangen, en het is daarom zeer waarschijnlijk, dat de door mij bekomen informatie betreffende zijne woonplaats in Benguela onjuist is, en dat men de Afrikaansche met de Europesche of C. garrula verward heeft.

De seksen verschillen slechts weinig in kleur, doch het wijfje is iets fletser van tinten. De jongen hebben nagenoeg dezelfde kleuren als het wijfje, doch met eene veel lichtere nuance, terwijl het blaauw bij hen door een flets groen is vervangen.

Tot broeiplaats kiezen deze vogels een boomgat, of wel zij nestelen in spleten van rotsen, onder wortelen of in een gat of holte in den grond. Zij bouwen hun nest uit wortelen, droog gras en doode takjes, en bezigen daarbij voor het binnenwerk haar en veêren. Beide ouden bebroeijen de vier à zes zilverwitte eijeren, en zijn, volgens sommige schrijvers, zoozeer aan hun kroost gehecht, dat zij liever zich laten dooden, dan het nest te verlaten.

In hunne vlugt hebben zij veel van den Koekoek, ofschoon zij zich niet zoo haastig als deze voortbewegen; daarbij kaatsen dan hunne blaauwe, glanzige vederen het daarop vallend licht zoo helder en duidelijk terug, dat hunne fraaije kleuren reeds van zeer verre kunnen onderscheiden worden. Overigens zijn zij zeer rusteloos en schuw van aard, en wagen zich dan ook zelden in het digte woud of nabij menschelijke woningen, maar kiezen liefst een alleenstaanden boom of een der buitenste takken tot rustplaats. Onder het vliegen laten zij een scherp: „raak-aak" hooren, vrij wel naar het gewoon geroep der Kauw, Corvus monedula, gelijkende.

Gedurende den trektijd vliegen zij in het gezelschap van Kramsvogels en