Pagina:Land en volk van Sumatra (1916).djvu/127

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

91

geestelijke doeleinden dienden, of doordat kerkelijke machthebbenden bestuursmacht hadden weten te usurpeeren. Maar het uitgangspunt der bestuursmacht was de gampong, die naar de adatregelen werd bestuurd. De imeum der moekim, blijkens zijn naam oorspronkelijk de leider der godsdienstoefeningen in de mesegit, werd gaandeweg hot wereldlijk hoofd der tot de moekim behoorende kampoengs en verloor zijne godsdienstige functies geheel.

Drie of meer moekims vormden een landschap, dat door een oelèëbalang als erfelijk hoofd werd bestuurd. Deze oelèëbalangs waren de eigenlijke heeren des lands.

De oelèëbalangschappen vereenigden zich tot federaties, die haren naam ontleenden aan het aantal moekims, waaruit zij bestonden. Zoo was geheel Groot- Atjeh verdeeld in drie federatie's, die men de drie hoeken, sagi's, van het land noemde. De voornaamste oelèëbalang in elke federatie, die haar naar buiten vertegenwoordigde, droeg den titel van panglima sagi.

Er was door al die gampong-, moekim-, oelèëbalangschap- en sagiautoriteiten een veel te groot aantal hoofden.

Als karakteristiek van de hier genoemde bestuursorganen kan men noemen: strijd om invloed tusschen wereldlijke hoofden, vertegenwoordigers van de adat of oude zeden, en godsdienstbeambten, vertegenwoordigers van de hoekoem of godsdienstige wetten; verwerving van macht door vreemde gelukzoekers of hoogvereerde godsdienstleeraren met den godsdienst als hefboom; verschuiving van macht en invloed van de eene autoriteit op de andere door persoonlijke eigenschappen van de functionarissen en door uitwendige omstandigheden, den oorlog vooral; het erfelijk zijn of worden van de ambten, waardoor ambten, welker waarneming bijzondere kundigheden vereischte, steeds ontaardden.

De macht van den Sultan werd langzamerhand zeer gering; hij werd in lateren tijd gekozen door de sagi-hoofden en andere invloedrijke oelèëbalangs, in overleg met autoriteiten op het gebied van den godsdienst.

De drie sagi's waren: de XXVI Moekims in het Noorden, de XXV Moekims in het Z. van het breede dalgedeelte en de XXII Moekims, het bovendeel van het dal, de bergstreek (Toenong), waarvan de