Pagina:Land en volk van Sumatra (1916).djvu/149

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

109

zelfs menschen uit een vaartuig, als deze zich daar te slapen leggen. De lijken zijner slachtoffers brengt hij naar een afgelegen plaats om die soms veel later pas te verslinden.


Dikhuidigen.

Behalve de varkens behooren tot de Sumatraansche dikhuidigen de olifant, de rhinoceros en de tapir. De olifant komt op heel Sumatra voor, het talrijkst in het Noorden en in Palembang. Zij leven in kudden, die groote tochten ondernemen, daarbij vlug klimmen en draven kunnen, en groote verwoestingen aanrichten onder de aanplantingen. In Palembang zijn beroeps-olifantenjagers; het ivoor wordt daar ook verwerkt tot jasknoopen, knoppen voor wandelstokken e.d.g. Af en toe zijn wel eens Sumatraansche olifanten getemd en voor het sleepen van boomen uit het bosch of het bergopwaarts trekken van zware lasten gebruikt. Zij schijnen dus voor temming en africhting geschikt te zijn, terwijl daarentegen proeven met Britsch-Indische olifanten onder hun eigen kornak's op Sumatra op niets uithepen.

Van den neushoorn (badak) zijn twee soorten bekend, die met één en die met twee horens op den neus. De eerste komt ook op Java voor. Evenals de olifanten zijn zij dikwijls in letterlijken zin padbereiders voor den mensch in de ondoordringbare wildernissen. Zij leven in paren en schijnen in hun blinde woede voor den hen belagenden mensch gevaarlijk te zijn. Zij worden gevangen inkuilen of gedood door het steken van scherpe messen in de nauwe, diep uitgetreden boschpaden naar hun drinkplaatsen. De hoorn op den neus, de „tjoela badak", is kostbaar als amulet en als geneesmiddel. Bij Javanen en Maleiers wordt de afgeschrapte stof gebruikt tegen slangen- en dollehondsbeten, plantaardige vergiften, schorpioensteken, schurftachtigen huiduitslag en andere kwalen. De huid wordt in reepen gesneden en als zweep gebruikt.

De tapir (Mal. tjipan) ziet er uit als een zeer groot wild varken met enkele trekken van den olifant, o. a. een snuit van 1½ d.M. lengte. Hij is kleiner dan de rhinoceros en zeer schuw, dom en zachtaardig. In Zuid-Sumatra heet dit dier tenoek.


Andere dieren.

Wij besluiten met uit de overrijke fauna van Sumatra nog enkele