Pagina:Land en volk van Sumatra (1916).djvu/265

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

215

gezinnen naar de buurt van Kepahiang (Redjang) en sedert 1911 ook naar Tjoeroeb (Lebong) overgebracht, in 1912 gevolgd door Javanen, met de bedoeling om den sawahbouw en het kweeken van zoetwatervisch bij de achterlijke bevolking ingang te doen vinden. Iedere kolonist kreeg f 100, in termijnen van f 25 terug te betalen. Toen de zaak goed ging, nam de Regeering de verplichtingen der margakas over. Ook vestigen zich ontslagen contractanten van de goudmijnen en van de koffieonderneming Soebang Ajam in de nieuwe dēsa's.

Men maakt hier werk van de teelt van tabak, robusta-koffie en thee. Het laatste product wordt verkocht aan Chineezen, die er groene thee van bereiden, welke gesleten wordt in Lebong, Bengkoelen en Batavia. Te Sempiang is een dêsa-credietbankje in werking. Op uit. 1912 bedroeg het totale aantal kolonisten 1214 zielen. Men verwacht, dat spoedig het Ketahoen-dal in sawahs herschapen zal zijn.


§ 40. Geboorte, sterfte en ziekte.

Een niet hoog geboortecijfer en een vrij hoog sterftecijfer houden de vermeerdering van Sumatra's bevolking mede tegen. Niet overal is het geboortecijfer laag. Van de meeste volken weten wij echter, dat zij niet op kinderrijkdom zijn gesteld en dat zij twee of drie kinderen voor ééne moeder genoeg vinden. „Ik houd niet van die pisangvruchten", zegt de Minangkabauer, op zeer vruchtbare vrouwen doelend.


Vruchtafdrijving.

De vrees voor een groot aantal kinderen is ook bij de vrouwen sterk, omdat door het matriarchaat practisch de zorg voor haar kroost op haar alleen drukt. In § 29 is er reeds op gewezen, hoe op Sumatra's Westkust overmatige vrouwenarbeid algemeen is geworden. Ook daardoor vermindert hare vruchtbaarheid. De angst voor een groot gezin is zoo groot, dat zij dikwijls het betreurenswaardige middel der vruchtafdrijving aangrijpen. Het is wel treurig in een zoo vruchtbaar land, waar voor zoovelen plaats is. Verkerk Pistorius vertelt in 1871[1], dat de vruchtafdrijving in de Padangsche


  1. Studiën over de Inlandsche huishouding in de Pad. Bovenlanden, Blz. 57.