Pagina:Land en volk van Sumatra (1916).djvu/286

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

232

Elke bank staat onder toezicht van door het volk gekozen ver- trouwensmannen, „hakim" geheeten, waartoe geen gouvernements- ambtenaren mogen worden gekozen. Een onderpand is bij het leenen niet noodig en toch zijn kwade posten zeldzaam.

Opmerkelijk is het, dat het overgroote deel der Bankklantjes uit vrouwen bestaat en dat deze ook het best betalen. De Minangka- bausohe vrouwen zijn ijverige en slimme kleinhandelaarsters. Ook bij de beraadslagingen in de negeri over de oprichting der banken (wij zijn in het Mlnangkabaiische land en dus moet er eerst worden ge-„moepakat") verschijnen de vrouwen op de vergadering en doen Hink haar woord. Wel een teeken des tijds!

 

Afdeelingsbanken.

Van hooger orde zijn de afdeelingsbanken te Fort de Koek, Fort van der Capellen en Pajokoemboeh, die de bedoeling hebben cre- diet te verschaffen voor ontginningen, aanleg van klapperaanplan- ringon, aankoop van karbouwen en vrachtkarren, binnenlandschen handel, ambachtsgereedschappen e.d. g. Ook deze wijken in inrichting af van die op Java.

De afdeelingsbanken zijn naamlooze vennootschappen met aan- deelen van ƒ 5.—; de credieten loopen van ƒ 30.— tot ƒ 100.—. De leener wendt zich eerst tot de vertrouwensmannen der bank van zijne eigene negeri, die omtrent den aanvrager advies uitbren- gen aan de afdeelingsbank. Onderpand van onroerend goed wordt vereischt; de rente is 12%. Voorzitter van het bestuur der bank is het hoofd van plaatselijk bestuur; Inlandsche ambtenaren worden zooveel mogelijk uit het bestuur geweerd en mogen ook niet leenen bij de afdeelingsbank. Voor hen zijn eenige afzonderlijke z.g.n. „Angkoe-banken" opgericht. De winst wordt aan aandeelhouders uitgekeerd. De afdeelingsbanken hebben op de "Westkust nooit be- hoeven te werken met van het Gouvernement geleend geld.

 

Credieten voor gambir-cultuur.

Vóór de bovengenoemde banken werkten, was in 1908 door de Regeering een crediet verstrekt van ƒ 20.000 en in 1910 nogmaals van ƒ 10.000, om Inlandsche gambirplanters in de onderafdeelingen Pajokoemboeh en Boven Kampar te steunen met voorschotten bij den aanleg van hun tuinen (zie beneden). Deze voorschotten hebben