Pagina:Land en volk van Sumatra (1916).djvu/29

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

11

door den wind scheefgewaaid zijn en landwaarts neigen, ze groeien door en ze groeien goed.

Merkwaardig is het, dat op deze lido's ook de tjemara's (casuarinen), anders meer kinderen der hooge bergen, zoo goed groeien. Op verschillende plaatsen, bijv. op de lido tusschen het groote dorp Sasak, juist onder den evenaar, en Air Bangis, vormt de smalle weg over de lido's, tusschen de rawangs en de zee, fraaie tjemaralanen. Ook aan de kusten van Atjeh zijn de tjemara's welbekend.

Vlak, en niet overweldigd door plantengroei, zouden de lido's uitstekende en goedkoope communicatiewegen vormen langs de kust, ware het niet, dat de breede, ondiepe riviermondingen een veelvuldig overvaren noodzakelijk maakten. Toch is van die zandstrooken veelal gebruik gemaakt voor wegenaanleg.

Door het terrasachtige van het kustterrein sluit de rawang soms vlak aan bij den voet der heuvels, zooals bijv. in het Noorden van Bengkoelen (Moko-Moko) en het Zuiden van Sumatra's Westkust (Indrapoera); voorbij het dorp Tikoe (recht Oost van het Manindjaumeer) tot Air Bangis en verder langs de Tapanoeli-kust tot de Batang Toroe-mond, en hier en daar in Atjeh.

Bergachtige kust.

Het gebergte ziet men nu en dan tot aan de kust komen, en dan ontstaat een grillige, baaienrijke kust, door de zee afgeknaagd, met veel rotseilandjes—mooie erfpachtsperceeltjes voor klappercultuur—ervóór.

Die rotskusten kunnen echter het verkeer danig hinderen.