Pagina:Land en volk van Sumatra (1916).djvu/294

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

240

belangrijke Nederlandsche katoennijverheid is nog zoo goed als geheel afhankelijk van buitenlandsehe grondstoffen, en katoen van goede kwaliteit kan in onze eigen koloniën goed groeien.

Door Twentsche katoenfabrikanten is opgericht de "Vereeniging tot beoordering der katoencultuur in de Nederlandsche Koloniën", waarvan de zetel is te Hengelo. De Regeering streeft krachtig naar het Bcheppen eener volkscultuur van katoen.

In verschillende streken van Indië bestaat sedert lang de teelt van katoen, doch alleen voor eigen gebruik, terwijl het product minderwaardig is, althans niet geschikt voor Europeesche fabrieken.

Maar de Inlandsche weverij, en in nog sterker mate de spinnerij, ging sterk achteruit. Waar het weven nog stand hield, geschiedde dit nog meest met ingevoerde garens, zoodat het spinnen, en daarmede de verbouw van katoen, geheel tot onbeduidendheid verzonk. Nu is er echter weer toeneming van de katoenteelt. De hoofdzetel dier teelt vormen de omstreken van Moearö Enim in Palembang; daar komt meer vandaan dan van Java en ook de kwaliteit is in Palembang beter. De Regeering beproeft eveneens in Bengkoelen, op Lombok en in de res. Timoer den katoenbouw tot volkscultuur te maken.

In Palembang is men sedert 1907 bezig, onder leiding van een „tijdelijk ambtenaar voor de katoencultuur" (thans landbouwadviseur in 't algemeen), tot verbetering van de inheemsche en verbetering van uitheemsche variëteiten. De laatsten hadden tot dusverre weinig succes. Met de Inlandsche soorten zijn bepaald goede resultaten bereikt door betere zaadkeuze en selectie, intensiever grondbewerking en bemesting. De proeven hadden nog het zijdelingsche voordeel, dat de rijst, waarmede de katoen in wisselcultuur wordt verbouwd, door de bemesting beter opbrengst gaf en de gecombineerde rijst- en katoenbouw de bevolking meer afhoudt van den uit een algemeen gezichtspunt schadelijken ladangbouw.

De Nederlandsche Handelmaatschappij stelde voor de jaren 1911 en 1912, in samenwerking met de Regeering, belangrijke bedragen beschikbaar ten behoeve van de proeven met de katoencultuur in Palembang.

In Bengkoelen zijn in 1912 en 1913 op ruime schaal proeven genomen met Sea-Island. Die proeven zijn schier geheel mislukt.