Pagina:Land en volk van Sumatra (1916).djvu/318

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

256

Medan, bij § 21); dan wordt de bibit (kweek plantjes) gekweekt; half Maart wordt deze uitgepoot en profiteeren de planten van den kleinen regentijd, die in Mei haar hoogtepunt bereikt. Van half Mei tot eind Juli, dus weer in betrekkelijk drogen tijd, wordt de oogst binnengehaald. Daarna komen de werkzaamheden van het drogen, opstapelen en fermenteeren, het laatste in den grooten regentijd, totdat eind December de verscheping naar Nederland begint, meest via Sabang. Als de Oceaanhaven Belawan voltooid is, zal de verzending rechtstreeks geschieden.

Voor de bestudeering der tabakscultuur is in 1906 opgericht het Deli-proefstation, dat over een schoon gebouw, verschillende proefvelden, bekwaam personeel en ruime geldmiddelen beschikt.


Koffie en rubber op vroegeren tabaksgrond.

Daar is in Deli niet alleen gestreden, maar ook geleden. Zooals het altijd gaat, waar groote winsten worden gemaakt, ontstonden ook hier vele maatschappijen, bij welker oprichting meer winzucht dan kennis van zaken en bedachtzaamheid hadden voorgezeten. Veel geld ging verloren; enkele maatschappijen gingen te niet; andere konden zich staande houden, door over te gaan naar de koffie. Vooral in den crisistijd omstreeks 1893 en in het Oosten van het landschap Serdang, alsmede in Asahan, werden vele tabakslanden koffie-ondernemingen. Deze overgang werd begunstigd, doordat de sedert 1875 aangeplante Liberiakoffie en de sedert 1901 beproefde Robusta zich, meer dan de Coffea Arabica, het oude Java-product, eigenden voor het klimaat en de mindere hoogte boven de zee.

Maar na 1908 komt de rubber-„boom" weer verandering brengen. Vele koffietuinen worden in Hevea-tuinen omgezet. Eind 1914 waren er op Sumatra's Oostkust nog maar 2 ondernemingen, die uitsluitend koffie plantten, tegen 67 met 133 000 bahoe oppervlakte, die naast de koffie ook rubber of oliepalmen kweekten. Anderzijds dient de Robusta ook ter Oostkust als „catch-crop" voor jonge rubberplantsoenen, bestemd om te verdwijnen, zoodra de rubberboomen geheel volwassen zijn, zoodat de koffieproductie steeds schommelend is. Volgens het Verslag van de Handelsvereeniging te Medan werd in 1913 ruim 1,8 millioen K.G., in 1914 het dubbele