Pagina:Land en volk van Sumatra (1916).djvu/72

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

42

Sorik Marapi ligt, die thans in het solfataren-stadium verkeert. Naar het N. volgt het schrale Natalsche zandsteenplateau; hier breekt de Batang Gadis door in een diep ingesneden erosie-dal; benoorden deze rivier wordt her bergland weer hooger en breeder en sluit aan bij de Loebook Raja.

Het dal is het laagst en het breedst (170 M. hoogte) in het midden, waar een uitgestrekt moeras voorkomt,—tegenhanger van dat van Raŏ, evenals dit de bron van veel malaria in de streek (de beruchte Mandailingsche koortsen), en vermoedelijk eveneens een vroeger meer—van 21 K.M. lang, benoorden Panjaboengan beginnend. In dit moeras verloopt de Batang Gadis. Panjaboengan heeft ook al geen gunstigen naam, wat de gezondheid aangaat. De standplaats van den controleur der onderafdeeling Groot en Klein Mandailing, Oeloe en Pakantan is juist verlegd naar het gezonde Tano Bato, vanwaar een nieuwe weg wordt aangelegd, ter verbetering van de verbinding met Natal.


Weg naar Natal.

Deze weg overschrijdt op 1700 M. hoogte—de z.g.n. Hemelpoort—het gebergte benoorden de Sorik Merapi, op de grens tusschen de oude leien van de "Westelijke Barisan en de vulkanische producten uit genoemden vulkaan, en volgt het dal der Natal-rivier. De bevolking langs dezen weg is schaarsch en Natal beteekent als havenplaats weinig, ook al wegens de moeielijk toegankelijke reede. Sedert Dec. 1915 komen de booten der Paketvaart echter niet meer op de reede, doch aan de beschutte Oostkust van twee naburige eilandjes, waarheen de handelswaren bij rustig weder tevoren worden gebracht.


Lengtedal van Mandailing en Angkola.

Het erosie-dal van de Batang Gadis door de Westelijke Barisan is eveneens nog jong; vermoedelijk vormde het lengtedal van deze rivier met de Angkola vroeger één geheel met dat van de Batang Toroe, en heeft de Loeboek Raja bij haar ontstaan zich als grenssteen opgewerkt. Het lange Zuidelijke dal werd alzoo grootendeels met eene diluviale laag puimsteentuf bedekt, die nu de geschiktheid ervan als menschelijke woonplaats verhoogt.

Het N. deel van het groote dal van benoorden Panjaboengan tot