Pagina:Land en volk van Sumatra (1916).djvu/77

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

47

evenals de Karolanden, thans de andere onderafdeeling vormend, niet de hoofdplaats Kaban Djahē.

Van de Si Boeaten af loopt de hoofdwaterscheiding langs een lagen rug dwars over de Karo-hoogvlakte en valt dus geheel binnen Sumatra's Oostkust. De N. en N.O. rand van deze hoogvlakte wordt gevormd door het Karo-randgebergte, van vulkanischen oorsprong, en een ouder gebergte, in dezelfde richting verloopend, tot aan het dal der Bampoe, gedeeltelijk Z.W. van het Karo-randgebergte, gedeeltelijk het verlengde daarvan. Aan dit laatste gebergte heeft Volz den naam gegeven van Van Heutszgebergte. In het Z. en Z.W. wordt de Karo-hoogvlakte afgesloten door een zeer oud gebergte, woest, onbewoond en met hooge toppen, beginnende aan de Si Berteng, over de Si Boeaten, tot aan Gajō Loeös toe, en eveneens door Volz benoemd, met den naam onzer Koningin, als Wilhelmina-gebergte. De rivieren van het N. deel der vlakte vereenigen zich tot de Laoe Biang, verderop Bampoe geheeten, welke haar weg naar het N. vindt door een breed dal tusschen Van Heutsz- en Wilhelminagebergte en bij haar intrede in de Doesoen een machtigen waterval vormt. Die van het Z. deel vormen de Laoe Bengap, die Zuidwaarts door de Wilhelminaketen breekt en zich vereenigt met de Laoe Renoen. Deze rivier doorloopt een zeer lang lengtedal in de Dairilanden, stroomt in N.W. richting evenwijdig aan den Z.W. oever van het Tobameer en vereenigt zich met de Lawē Alas of Simpang-Kiri, de hoofdrivier der Alaslanden.

Voorbij de doorbraak der Bengap gaat de hoofdwaterscheiding over op het Wilhelmina-gebergte, dat in verschillende ketens zich steeds grootscher ontwikkelt. De grondslag van het gebergte bestaat uit palaeozoïsche schiefers van de „Maleische formatie", welke aan de steile W. helling, aan de zijde van de zeer diepe inzinking van het Alas-land (voortzetting van de nog lager gelegen vlakte van Singkel) aan de oppervlakte liggen. De toppen en de O. helling bestaan uit oudere andesieten, welke zich aansluiten aan de jongvulkanische gesteenten, die de zeer dikke puimsteentuflagen van het Karoland vormen. De hoogste andesiettop is de Bandahara (3060 M.). Voorbij dezen berg blijven alleen de oude schiefers weer heerschend, over de Goenoeng Kembar (Tweelingberg), waarvan de