Pagina:Land en volk van Sumatra (1916).djvu/78

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

48

toppen 2333 en 2349 M. hoog zijn. Verschillende zijtakken van het Wilhelminagebergte schieten naar het O. en N.O. Boven-Tamiang in, terwijl het gebergte eindigt in den hoogen Boer (Berg) Moegadjah, weer een hoogen andesietkoepel.

Het deel van het Wilhelminagebergte beoosten het bewoonde Alasland heet Goenoeng Serbölangit.

De hoofdwaterscheiding loopt nu over den 1720 M. hoogen pas van de Wöih ni Orēng (leidende van Gajō Loeös naar Serbödjadi), naar het massief van den Oetjap Moeloe (3127 M.). Van dezen bergknoop gaat het steile, hooge (tot 2200 M.), uit zeer oude, gelaagde gesteenten bestaande Van Daalengebergte (insgelijks door Volz gedoopt) naar het N., de grens vormend tusschen Serbödjadi ten O. en Gajō Döröt of Linggö met Samar Kilang ten W. Ten W. van de Oetjap Moeloe strekt zich het Gajō'sche Centraal-gebergte uit, de hoofdwaterscheiding vormend en tevens de grens tusschen Gajō Loeös of Groot-Gajō ten Z. en Gajō Döröt ten N.

Ook dit hooggebergte bestaat uit primaire gesteenten, op enkele gedeelten door andesiet gekroond. De hoogste toppen er in zijn de Boer ni Intém-Intém (2115 M.) en de Boer Tanggaq (of Singgah Mata of Aboeng-Aboeng), 3015 M. hoog. De pas van Tapaq ni Toeön, op 2150 M. hoogte, leidt over het Gajo'sche Centraalgebergte van Gajō Döröt naar Gajō Loeös.

Van de Boer Tanggaq gaat de hoofdwaterscheiding Noordwaarts, tusschen de brongebieden van Djambō Ajé Oostelijk, en Seunagan- en Meulabōh-rivieren Westelijk, over de Boer Brawan naar de Boer ni Telögö, ten Z.W. van de Laoet Tawar (het Zoetwatermeer).

Van hier af loopt de hoofdwaterscheiding eerst N.W. en dan West, veel dichter bij de N. dan bij de W. kust; de grens vormend tusschen de afdeelingen Noordkust en Westkust van Atjeh, door onbewoonde en zoo goed als onbekende streken. Verder volgt zij het Permo-carbonische, onbewoonde gebergte tusschen de Westkust en het dal der Atjeh-rivier, dat zich in de Batèë Meukoerah tot 1942 M. verheft en zich over de Goenoeng Raja (600 M.) en de eilanden Batèë, Klapa, Nasi en Breuëh voortzet.

Geologisch is ook de Goenoeng Raja zulk een Permo-carbonisch eiland, want in het Z.O. wordt dit stuk van de rest van het berg-