Pagina:Land en volk van Sumatra (1916).djvu/93

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

63

weten reeds, dat hier een weg begint; een weg om het eiland is bijna gereed, terwijl over het eiland zelve ook een aantal kleine wegen voeren. Er werden paarden en karbouwen van hier uitgevoerd. Voor sawahaanleg is er geen water genoeg. Veeteelt en emigratie naar het cultuurgebied zullen de uitwegen der bevolking moeten worden.

Op Samosir zijn drie zendelingen en een duizendtal christenen; de zending werkt hier sedert 1893.


Onderafdeeling Toba.

Ook de onderafd. Toba, hpl. Batigē, langs den Z. en Z.O. oever van het meer, is goed bevolkt met 124 000 zielen, waarvan 14 of 15 deel tot het Christendom is overgegaan. De sawah's zijn voor een derde deel nog van het hemelwater afhankelijk.

Baligē is het station van de aluminium Gouvernementsmotorboot. Dit plaatsje ontwikkelt zich snel; er is een veearts gevestigd, een posten telegraaf kantoor en vrij wat handel. De vlakte van Baligë is het Bataksche sawahgebied bij uitnemendheid. De Toba's der streek zijn een grof en vuil, maar ijverig volk; de Madoereezen onder de Bataks.


§ 17. Si Baloengoen en de Karo-landen.

We zijn nu gekomen aan de nieuw onder ons bestuur gebrachte Bataklanden, die aan Sumatra's Oostkust zijn toegewezen.

Een Sumatraansch Amerika ontwikkelt zich hier. De laatst verloopen jaren hebben geweldige veranderingen zien geschieden. Het verhaal dezer moderne sproke volgt later; thans worde slechts van de natuurlijke gesteldheid des lands en van de oorspronkelijke bevolking en hare opneming onder ons bestuur gesproken. De berichten omtrent het plaatsen van nieuwe mijlpalen op den weg der beschaving in dit land volgen elkaar snel op.

Bevolking.

Het groote hellingland ten N.O. van het Tobameer wordt Si Baloengoen, en dat van het Karo- en van Heutsz gebergte, de bovenlanden Yan Langkat, Deli en Serdang, met een algemeenen naam de Doesoen genoemd; de Bataksche bewoners worden als afzonderlijke stammen onderscheiden (naar hun taal) in Karo's op