Naar inhoud springen

Pagina:Mengelingen Deel 1.pdf/78

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

— 76 —

De Lelie bloeit zoo statig niet,
 Het roosjen niet zoo zacht,
Als ’t bloemtjen van heur frisch gelaat
 Waar uit een Engel lacht.

Haar boezem kweekt geen andre zucht,
 Dan voor haar God-alleen,
Den sluier en het Nonnenkleed,
 En, ’s hemels Heerlijkheên.

Doch, anders was heurs Vaders hoop.
 Hy had dit dierbaar pand,
Het laatste spruitjen van zijn’ stam
 Bestemd ten huwlijksband.

De Brave Herman, jong en fier,
 Van overoud geslacht:
Ziedaar den Bruigom die haar vraagt,
 Dien hy haar waardig acht.

’t Was Herman, die in Utrechts wal
 Des Bisschops macht gebood,
Een rein en Hollandsch hart bezat,
 En uit oud Kenheim sproot.

Hy keerde van den Wapenschouw
 En gaf zich naar de stad,
Wanneer hy Beilaert naadren zag,
 Die in den Voorburg trad.

Flux vliegt hy in zijns halsvriends arm,
 Dees drukt hem teêr aan ’t hart: