Pagina:Nederlandsch kruidkundig archief.djvu/36

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

23

de bloemkroon; kokervrucht op bloemstelen die naar boven gebogen en langer zijn dan de onderste bloemen opgericht, afstaand klierig-behaard, cilindervorming, naar boven plotseling toegespitst, randen der naden dik. Schubben der zaden tot plooien uitgegroeid. Bloemen steeds diep violetkleurig, kelkbladen breeder dan bij D. Ajacis. Behoort thuis in Zuid-Europa en Noord-Afrika, doch steeds sporadisch. De plant is reeds voortgeschreden tot Neder-Oostenrijk en werd ook elders ingevoerd aangetroffen. Zij komt ook voor als sierplant, ofschoon niet algemeen.

Xanthorrhiza apiifolia l'Hér,

Deze tot de Ranunculaceeen behoorende plant, wordt gebracht tot het geslacht Xanthorrhiza, staande tusschen Eranthis en Actaea, met de volgende kenmerken:

Lage planten, met vinvormige of dubbelgevinde bladen en kleine tot een samengedrongen tros vereenigde bloemen. Kelk-bladen 5, bloembladachtig, afvallend. Bloembladen 5, kleiner dan de kelkbladen, genageld, 2-lobbig, meeldraden 5—10. vruchtbladen 5—10 zittend, 2-eiig, 1-zadige kokervruchten bij rijpheid vormende door onderdrukking van een der eitjes. Een monotypisch geslacht van Oostelijk Noord-Amerika.

De soort onderscheidt zich door zijn kaalheid, met de bast en de lange wortels geel en bitter. Bladen gevind of somtijds dubbel gevind, opgehoopt aan den top van den korten stengel, bladsteel slank. Blaadjes 5, dun, 1—3 c.M. lang, ingesneden getand, gespleten of verdeeld, zittend, eivormig of langwerpig aangespitst, wigvormig, glanzig; takken van de tros of pluim slank, hangend, 2—3 m.M. lang; bloemen ongeveer 2" breed, gesteeld, alleenstaand of 2—3 samen, bruinachtig-purper; kelkbladen eivormig, spits, kokervruchten 4—8 opgeblazen, licht geel, 1-zadig, aan den top uiteenwijkend omgebogen, zeer kort gesnaveld.

Inheemsch in de bosschen, van Zuid-Westelijk New-York tot Florida, alwaar do plant bekend is onder den naam Geel-