Pagina:Noodlot.djvu/181

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

180

teruggekomen in het hôtel. Ik geloof, dat ik sedert dien dag ziek ben, dat ik toen zware koû heb gevat, die ergens in me ingekankerd is, die ik eerst niet heb gevoeld of geteld, maar die al dien tijd aan me geknaagd heeft, al dien tijd lang...

Hij bleef zwijgen, zich vaag ook iets herinnerend, iets tragisch van Molde, wat wist hij niet meer. Maar naast hem barstte zij eensklaps zenuwziek in snikken los:

- O Frank, zeg dan toch iets, zèg dan toch iets! smeekte zij, wanhopig om zijn stilzwijgen, waarin ze haar angst steeds banger en banger voelde worden, hoog kloppend in heur hart, ondanks zichzelve.

Hij streek zich met de hand over het voorhoofd, zijne gedachten verzamelend. En langzaam zeide hij:

- Ja Eve... ik had je juist iets willen zeggen, juist vandaag.

- Wat dan? vroeg zij, verwonderd door heure tranen blikkend, om zijn vreemden toon.

- Ik zoû ernstig met je willen spreken, Eve, vandaag. Wil je naar me luisteren?

- Ja...

- Ik woû je iets vragen, Eve, ik woû vragen of je niet vrij van me zoû willen zijn. Ik woû je vragen of ik je niet je woord mag teruggeven.

Zij begreep hem niet dadelijk en bleef hem toen verschrikt aanzien, met open mond.

- Waarom? vroeg zij ten laatste, sidderend, bang, dat hij iets begrijpen zoû van wat in haar woelde.

- Omdat het zoo beter voor je zoû zijn, kind! sprak hij zacht. Ik heb het recht niet je leven