Pagina:Noodlot.djvu/72

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

71

haar, dat een weinig op zijn voorhoofd neerkrulde, scheen te plakken aan zijne slapen, in enkele pareltjes zweet. Hij was blijkbaar zeer ontroerd. Hij wist niet waarop dit gesprek zou uitloopen, maar hij gevoeld toch, dat zijn toon zeer ernstig was geweest, dat die eerste zinnen de prelude van een belangrijk onderhoud zouden kunnen worden. Hij gevoelde, dat dit oogenblik bestemd was een kostbaren schakel aan zijne levensketen vast te klinken en hij wachtte, fatalistisch geduldig, op de gedachten, die in zijn brein zouden ontluiken, op de woorden die van zijn tong zouden glijden. Hij sloeg zichzelven in zichzelven gade, en tevens ontwikkelde hij Eve in een windsel, zooals eene spin eene vlieg omwindt in den draad, dien zij uitweeft.

— Zie je, ging hij langzaam voort; ik kàn het niet van je velen, dat je me plaagt... Het is net of je minder van me houdt dan vroeger... Ik kan het toch niet helpen, dat ik kleine handen heb...

Zij moest glimlachen om het gewild kinderlijke, gewild coquette van zijn toon: dat beetje aanstellerij van behaagzieke kinderachtigheid, die zij doorzag, maar zij sprak toch:

— Nu, ik vraag je vergiffenis voor mijn plagen! Ik zal het niet meer doen...

— Hij was echter opgestaan, doende of hij hare uitgestrekte hand niet zag en stil ging hij voor het raam staan, ziende naar het, in mist uitgevaagd, parklandschap van Kensington Gardens. Zij bleef zitten, wachtende tot hij iets zeggen zoû. Maar hij zweeg.

— Ben je boos, Bertie?