Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/107

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
93
BERTHA TUPPENHAUG'S VERTELLINGEN.

»Lang, heel lang geleden—'t was in den zomer — had de eigenaar der hoeve Melbustad in Hadeland zijn volk met 't vee naar den saeter gezonden. Nog slechts korten tijd was men er, of 't vee begon zoo onrustig te worden, dat niemand 't langer kon regeeren. De eene meid na de andere werd er mee uitgezonden, maar geen van haar wou 't gehoorzamen. Eindelijk kwam de beurt aan een meisje, dat onlangs haar verlovingsfeest had gevierd. Nu kwam op eens de kudde tot rust, en 't kostte haar volstrekt geen moeite het vee te hoeden. Men liet haar alleen op den saeter achter; geen ander levend wezen had ze bij zich dan den hond. Terwijl ze op zekeren namiddag in de hut zat, verbeeldde zij zich, dat haar liefste binnentrad, naast haar ging zitten en zeide, dat ze nu bruiloft moesten houden. Maar zij antwoordde niets, want zij werd zoo wonderlijk te moede! Langzamerhand kwamen er eene menigte menschen binnen; zilveren borden en schotels met spijzen gevuld werden op de tafel gezet, en bruidsmeisjes droegen eene kroon en allerlei sieraden en een prachtig bruidskleed. Zij trokken 't haar aan en zetten haar de bruidskroon op 't hoofd en staken ringen aan hare vingers. En geen van allen kwam haar onbekend voor; 't leken allen vrouwen en meisjes, die op de hoeve dienden. Maar de hond begreep wel, dat de zaken niet zuiver stonden. Hij liep, zoo snel hij kon, naar Melbustad en blafte en jankte en huilde en hield niet op, eer de meeste bewoners hem volgden.

De jongeling, die naar de deerne vrijde, nam zijn geweer en snelde naar den saeter; toen hij daar aan kwam, stond het heele erf vol gezadelde paarden.

Hij sloop weg, gluurde door eene reet van de deur en zag den ganschen stoet daar binnen. Dadelijk be-