Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/113

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
99
VAN DEN LANDHEER.

koren en grondontginning, over industrie en centralisatie, over bureaucratie en ambtenaarsaristocratie, en over alle cratiën, satiën en triën, die ooit bestaan hebben of nog bestaan van Nebukadnezar's tijden tot op den dag van heden.

De scherpzinnigheid en 't pathos van den landheer waren niet langer om uit te staan. Uit de keuken klonk telkens in koor een schaterend gelach; daar voerde Christiaan, de smid, het woord; juist zweeg hij stil, en daar klonk op nieuw een hartelijk lachen.

»Ja," zeide ik, »nu moet ik toch eens de vertellingen van den smid gaan hooren," liep regelrecht de kamer uit en liet den landheer alleen met zijne half duistere lamp en zijne niet minder duistere redeneeringen.

»Kinderpraat en logenachtig gebeuzel!" bromde hij, terwijl ik de deur achter mij toesloot; »'t is schande voor een gestudeerd mensch; maar oprechte vaderlandsche ontboezemingen—" meer verstond ik niet.

Licht en leven en vroolijkheid schitterden in de hooge ruime keuken. Een vuur, dat zelfs den donkersten hoek verlichtte, vlamde aan den haard. Daar troonde, naast den schoorsteen, de echtgenoot van den landheer met haar spinnewiel. Ofschoon zij sinds vele jaren aan jicht leed en zich tegen de aanvallen dezer kwaal had verschanst binnen een' berg van jakken en rokken en als buitenwerk daaroverheen een reusachtig grijs kleed van »vadmel" had aangetrokken, glinsterde toch haar gelaat van onder de huif als de volle maan. In hare nabijheid zaten de jongens en lachten en kraakten noten. In 't rond zat een kring van dienstmeisjes en vrouwen van daglooners; »zij bewogen het spinnewiel met vlijtigen voet of hanteerden de scherpe kaarde." In het voorhuis stampten de houthakkers de sneeuw van hunne voeten,