Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/121

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

107

VAN DEN LANDHEER.

om binnen gehaald te worden. Schoon 't reeds wat ver in den tijd was, begreep hij het nog een paar dagen op den akker te moeten laten; maar op eens hoort hij duidelijk eene stem uit den berg komen:

»Haal het graan binnen, want morgen sneeuwt het."

»En hij aan 't binnenhalen, zoo spoedig hij kon; tot laat na middernacht was men bezig, maar men kreeg 't toch in de schuur;—en 's morgens lag de sneeuw een voet dik op 't veld. —

»Niet altijd zijn de aardgeesten zoo vriendelijk," merkte een der knapen tot den smid op; »hoe ging 't de Hulder, die de bruiloftskost stal en op Eldstad haar' hoed verloor?"

»Dat zal ik u vertellen," zei de smid, die gretig dezen wenk opving om een nieuw verhaal te beginnen.

»Op Eldstad in Ullensaker werd eens bruiloft gehouden; maar men had er geen' bakoven en zag zich dus genoodzaakt het gebraad naar de naaste hoeve te brengen, waar men wel zulk een' oven bezat. Tegen den avond werd er een jongen uitgezonden om het terug te halen. Toen hij over eene der vlakten daar kwam, hoorde hij duidelijk roepen:

»Hoor eens, zoo ge naar Eldstad rijdt, zeg dan aan Deld, dat Dild in 't vuur is gevallen."

»De knaap schrok en joeg zijn paard steeds harder voort; hij reed, dat zijne neus bijna bevroor, want 't was vinnig koud en de slede vloog over de sneeuw. En telkens weer hoorde hij duidelijk dezelfde woorden achter zich. Toen hij goed en wel met 't gebraad thuis gekomen was, ging hij aan 't lager einde der tafel, waar de knechts en meiden heen en weer liepen, en vroeg iets te eten.