Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/135

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
121
DE BEWONERS VAN LUNDE.

wel vreemde dingen; toen de ritmeester eens inspectie kwam houden, paradeerde Armund met een' voederbak onder den arm in plaats van zijne fouriersmuts. En zoozeer was hij aan den drank verslaafd, dat hij, naar men zegt, elken dag een paar kan brandewijn naar binnen sloeg. Verleden jaar begon hij rooden wijn te drinken, maar daar hield hij spoedig mee op; die was hem te zuur. Nu drinkt hij elken dag vier potten koffie, en bijna den ganschen dag zit hij in zijne badkamer, die hij ontzettend heet stookt, in eenige schapenvachten gewikkeld. Des zomers keert hij den wolligen kant naar binnen, want hoe warmer het is, des te dikker gaat hij gekleed.

»Maar om op de oude Aase Lunde terug te komen. Langen tijd, nadat zij was verdwenen, bevond Hans Sigstad zich eens op 't veld om zijne paarden te zoeken. Eer hij er aan dacht, kwam hij bij de Dingsteenen, en daar zag hij op eens zooveel pracht en heerlijkheid, of hij zich in een kasteel bevond. Eene oude vrouw liep er op en neer; wel kwam zij Hans bekend voor, maar hij kon haar niet thuis brengen.

»Kent ge me niet?" vroeg de vrouw.

»Ja, mij dunkt, ik heb u meer gezien," antwoordde Hans.

»Wel zeker, ik ben Aase Lunde, die verdween, toen zij in 't kraambed lag," zeide ze. »Ik kende u, toen ge nog een kleine jongen waart; jaren lang ben ik hier reeds geweest. Had men na mijn verdwijnen de kerkklokken maar een beetje langer geluid, dan zou ik wel ontsnapt zijn; ik had reeds 't eene been buiten den berg; maar toen hield men op en moest ik weer terug. Gij zoekt naar uwe paarden," vervolgde zij, »laat mij u zeggen, dat mijn man en zijne buren ze elk oogenblik