Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/136

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

122

DE BEWONERS VAN LUNDE

gebruiken. En dat is de schuld van uwe staljongens; wanneer zij de dieren naar 't veld brengen, slaan zij ze met de leidsels. Maak nu spoedig, dat ge weg komt; aanstonds keert mijn man naar huis, en wanneer hij u hier aantrof, liep 't slecht met u af."

»Sigstad ging heen en vond weldra zijne paarden terug. Sedert heeft hij Aase Lunde gehoord noch gezien; als zij niet gestorven is, dan leeft zij nog en woont in 't Hulderslot bij de Dingsteenen.

Meer en meer breidden de schaduwen zich uit over de velden van Biri en 't Mjösenmeer; de koelte van den avond daalde op de velden neder. Suizend en fluisterend streek de wind door de toppen der boomen en bracht een' vriendelijken groet van de bloeiende hagen en de geurige bloemen der velden en wouden mee voor de vogels, die, sinds kort uit het zuiden teruggekeerd, in 't lommer verscholen droomden van de wonderen, die zij op hunne reizen in Griekenland en Marokko hadden aanschouwd.

Naarmate wij ons doel naderbij kwamen, scheen mijn paard vlugger te worden. Op Svennaes ontving ik de bevestiging van al wat ik had vernomen: dat Per Lunde den schout een stuk paardepoot in plaats van versch vleesch had bezorgd; dat hij zijne paarden met den staart in den wand vastklopte, wanneer hij ze ging verkoopen, en wat al meer geloofwaardige dingen mijn voerman had verhaald.