Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/137

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


 

EEN OUDERWETSCHE KERSTAVOND.

 

 

De wind floot door de oude ahornen en linden tegenover mijn raam; de sneeuwvlokken stoven door de straat, en de hemel was zoo donker als een Decemberlucht in Christiania kan zijn. Niet minder somber was de stemming, waarin ik verkeerde. 't Was kerstavond, de eerste, dien ik niet aan den ouderlijken haard mocht doorbrengen. Niet lang geleden was ik officier geworden, en 'k had gehoopt mijne bejaarde ouders met mijne tegenwoordigheid te verblijden, en al den glans en de heerlijkheid van mijn' nieuwen rang te laten schitteren in 't oog der dames van mijne geboorteplaats. Maar eene zenuwkoorts bracht mij in 't hospitaal, dat ik pas sinds eene week had verlaten, en thans bevond ik mij in den hooggeprezen toestand van een' reconvalescent. Ik had naar huis geschreven om een rijpaard en den dikken mantel mijns vaders, maar de brief kon 't ouderlijke huis stellig niet voor den tweeden kerstdag bereiken, en eerst tegen nieuwjaar mocht ik 't paard dus verwachten. Mijne kameraden waren uit de stad en ik kende geen enkele familie, waar ik de feestdagen kon doorbrengen. De twee oude juffers, bij welke ik in huis