Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/144

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
130
EEN OUDERWETSCHE KERSTAVOND.

nikker te geven, at ze daarom zelf op en ging naar de schuur met havermeelpap en zure melk in een’ varkenstrog. »Daar heb-je eten, leelijkerd!" zei ze.

Maar nauwelijks waren de woorden haar den mond uit, of de nikker vloog op haar aan, pakte haar om ’t lijf en begon met haar rond te zwieren; en hij hield niet op, voor ze uitgeput nederzeeg. Toen men ’s morgens in de schuur kwam, lag zij daar, meer dood dan levend. En zoolang de dans duurde, zong de nikker maar aldoor: — hier nam juffer Lise mijne taak over en zong in de maat van den Hallingdans:

En eet gij de pap van den nikker, mijn kind,
Wel, dans dan ook eens met den nikker als vrind.

En eet gij de pap van den nikker, mijn kind,
Wel, dans dan ook eens met den nikker als vrind.

Ondertusschen gaf ik met beide voeten de maat aan, terwijl de kleinen, al jubelend en schaterend, over den grond rolden.

»Ge zet waarlijk het huis op stutten, kinders, ik krijg er hoofdpijn van," zei juffer Skau. »Weest thans wat bedaard, dan zal ik nog eenige histories vertellen." Oogenblikkelijk werd ’t stil in de kamer en de juffrouw nam het woord:

»De menschen vertellen zooveel van nikkers en Huldren en zulk slag; maar ik geloof daar niet veel van. Nog nooit heb ik van den een of den ander iets gezien; — ’t is waar, ik ben in mijn leven nog niet ver van huis geweest — maar toch geloof ik, dat het meerendeels praatjes voor den vaak zijn. Maar wat oude Stine vertelt: dat zij eens den nikker heeft gezien, dat moet toch wel waar zijn. Toen ik nog mijn’ catechismus