Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/156

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
142
EEN ZONDAGAVOND

»Ja wel, rendieren schieten, als er maar rendieren zijn! Ik vrees, dat je 't zult opgeven en je kameraad ook, voor je er één hebt gezien. In 't voorjaar had-je hier moeten zijn, toen we den saeter betrokken, toen zwierven hier eene menigte mooie beesten rond. Op een' der Vaage-saeters is een meisje, dat Barbro heet; 't is nog eene jonge deern, maar die heeft er een geschoten. 't Dier was op de weide onder de kudde geraakt en liep rustig te grazen. Nu hing er in de hut een geweer aan den zolder; zij wist, dat 't geladen was voor de grauwpooten; dat nam ze, sloop weg en lei 't den os over den rug. Ze mikte voorzichtig, heel behoedzaam; maar toen 't schot afging, tuimelden ze alle drie neer: de deerne, 't rendier en de os; de laatste stiet een hevig gebrul uit van schrik, maar 't rendier stond niet meer op, en de predikant kreeg een heerlijken rendierbout."

»We hebben hier nog wat te doen, Brit," voegde ik er bij; »we zouden gaarne sprookjes hooren. Weet-je iemand, die flink kan vertellen?"

»Er zijn hier een paar meisjes in de nabuurschap; 'k zal een boodschap zenden, dat ze van avond hier komen," antwoordde zij; »die kunnen, als ze willen, wel wat vertellen. Maar de schoolmeester, die kent eerst eene menigte histories. Gisteren was hij bij Marit, en als de hemel niet is ingevallen, zal hij er nog wel wezen, ten minste als Hans nog niet weg is.

»Ik heb den schoolmeester reeds verzocht hier te komen, en Hans en Marit ook," zeide Thor, die nu binnen trad en zijn geweer tegen den wand zette; »ik wist, dat ge veel van sproken houdt, en zij kennen er wel."

»Als de schoolmeester begint, dan komt er geen eind aan de geschiedenissen en vertelsels uit den Bijbel en