Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/157

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
143
OP EEN' SATER.

allerlei geleerdheid," zei Brit; »maar toch is hij te beklagen, de stumperd; 't moet niet alles zijn zoo alleen te branden als een harstige dennetak."

't Duurde niet lang of het gezelschap uit den saeter van Thor kwam binnen. Marit was een door- en door- gezonde deerne, met eene kleur als melk en bloed, een paar levendige kijkers en eene slanke gestalte. Uit 't gezicht van Hans sprak eene frissche onbedorven natuur, een rondborstige aard en de overmoed der jonkheid. De derde was de schoolmeester; schoon hij de drie kruisjes nog niet lang achter den rug had, was zijn gelaat reeds vol kreuken en rimpels, die voornamelijk te wijten schenen aan de voortdurende zorg, om zich met de noodige deftigheid voor te doen. Ook zijne kleeding verried het streven, om zich van de overige boeren te onderscheiden. Hij had eene donkerbruine jas met ontzettend lange panden aan; om den hals droeg hij eene witte das en opstaande boorden, die hem bijna tot den neus reikten. Ter hoogte van zijn' rechter vestzak zag men een' zonderlingen knubbel, dien ik eerst voor een monstergezwel hield; later merkte ik, dat het een groote inktkoker was, dien hij overal met zich voerde. Zijn geheele voorkomen maakte op den vreemdeling een' zeer onbehagelijken indruk, die nog verergerd werd door de geaffecteerde wijze, waarop hij den mond samentrok, als hij sprak. De weetgierigheid en belangstelling van den bergbewoner tegenover den vreemdeling, dien hij voor zich ziet, zijne openhartige, naïeve, somwijlen ook ongepaste vragen zijn bekend. Maar hier vertoonde zich onder een vernis van beschaving eene onverdragelijke indringende nieuwsgierigheid, die nog onuitstaanbaarder werd door den triomfanten blik, welken hij bij iedere vraag om zich heen wierp. 't Was,