Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/167

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
153
OP EEN' SAETER

te eten en te drinken en deden hun daar geen' ondienst mee, want behalve een' droppel of wat uit de veldflesch, hadden zij den heelen dag niets genoten. Toen ze zich wat verkwikt hadden, noodigden Bottolf en Alf hen uit zich wat te vermaken. De jonggetrouwden zouden slapen op den zolder boven het proviandhuis van Svare. Laat in den avond kwam Björn's broer bij dezen en vertelde hem, dat de bruid den nacht op Svare-hoeve doorbracht.

»'t Zou me verwonderen, als ze daar morgenavond nog was," zei Björn. Maar toen het nacht was geworden en de gasten allen ter rust waren gegaan, sloop er door de zolderdeur eene groote, forsche vrouwengestalte binnen, in een groen overkleed en met een groot blank mes in de hand. Zij scheurde de bruid uit de armen van den bruidegom. Deze greep nog naar haar, maar op 't zelfde oogenblik sneed de Hulder met het mes in den wand, dat de splinters er afvlogen. Toen dorst de bruigom de oogen niet meer opslaan, maar hij vloog 't vertrek binnen, waar zijne vrienden lagen, en kreet met groot misbaar, dat de Hulder van 't Jöndal op den zolder was geweest en zijne bruid had weggeroofd, om haar tot vrouw te geven aan haar' zoon. En hij mompelde, dat hij zich van kant wou maken.

»Waren we maar beneden gebleven, dan had misschien de Hulder haar niet durven rooven!" jammerde hij.

Allen deden hun best, om hem zoo goed mogelijk te troosten, maar toen hij dit zeide, schaterden zij 't uit. Selvor wou dadelijk naar huis, naar zijne moeder; maar toen men bij de Skjaervenbrug kwam, waren de palen doorgehakt, de brug was weggedreven en men kon onmogelijk aan den overkant komen. Aan den anderen oever stonden menschen uit Skaarvangen, die schreeuw-